close

Tips en trucs

FotoTips en trucs

Fotograferen in darkrides

Deze tak van de fotografie is een veel besproken item. Het is in dergelijke attracties vaak lastig fotograferen, omdat het vrijwel altijd donker is.
Bovendien beweegt de decoratie of het karretje waarin je in zit waardoor je al snel bewegingsonscherpte krijgt. Hieronder enkele tips en trucs om met leuke foto’s uit
een darkride te stappen.

1. Stel je camera “ongeveer” in alvorens in te stappen.
Dergelijke attracties zijn zo voorbij, als je je camera nog moet instellen als je erin zit ben je al snel twee scene’s voorbij. Kortom hoge iso, trage sluitertijd en een groot diafragma opening.

2. Ben niet bang voor een hoge ISO.
Een hoge ISO staat gelijk aan een foto met ruis. De hoeveelheid ruis hoeft niet altijd storend te zijn, en is tegenwoordig al goed weg te werken in de nabewerking. Daarnaast
presteren de recentere camera’s veel beter met hoge iso’s. Zelfs een zichtbare ruis in je foto hoeft niet altijd goed zichtbaar te zijn als je de foto afdrukt of online plaatst.
Controleer voor jezelf hoever je je iso kan instellen zodat de ruis niet storend wordt.

3. Gebruik lichtsterke lenzen.
Ik kan niemand verplichten om lichtsterke lenzen te gaan aanschaffen, maar ze hebben in darkrides natuurlijk wel een groot voordeel. Onder lichtsterke lenzen verstaan we lenzen met
een diafragma opening vanaf F2.8. De 50mm 1.8 is zowat de goedkoopste onder de lichtsterke objectieven. Let hiermee wel op dat lichtsterke lenzen zoals de 50mm 1.8, meestal niet
kunnen zoomen. Wil je een andere uitsnede zal je de foto achteraf moeten bijsnijden.

4. Fotografeer in RAW
Stop met het fotograferen in jpeg. Je bent veel vrijer in de nabewerking met een foto genomen in raw dan in jpeg.
Wat is RAW? – In RAW fotograferen verstaan we dat alle informatie wordt opgeslagen. Dit bestand moet nabewerkt worden voor je deze kan publiceren.
Voornamelijk het aanpassen van de witbalans is eenvoudiger en beter te doen in RAW dan in jpeg. Bewerk je je foto’s nu nog niet na maar zoek je dat later eventueel wel te doen?
Dan is het mogelijk om te fotograferen in jpeg + raw, hiervoor kan je ten rade gaan in de handleiding van je eigen cameratoestel. De foto’s in het raw formaat kan je tijdelijk
aan de kant zetten totdat je het bewerken onder de knie hebt. De foto’s in jpeg kan je meteen gebruiken.

5. Gebruik scherpstelpunten
Kies zelf een punt waar je op scherp stelt. De camera weet het meestal niet zo goed in donkere situaties.

6. Maak veel foto’s en leer gaande weg
Gooi de slechte foto’s niet weg, maar leer van de instellingen die je daar gebruikt hebt. Ook de instellingen van leuke foto’s kunnen een leidraad zijn. Op den duur merk je dat
bepaalde scene’s/attracties om specifieke instellingen vragen.

7. Beweeg in tegengestelde richting
In een darkride ga je vooruit, om deze beweging tegen te gaan kan je proberen zelf de andere kant in te bewegen terwijl je een foto maakt. Niet makkelijk natuurlijk, maar het kan je wel een scherpe foto opleveren!

8. Gebruik geen flits
Gebruik geen flits – basisregel voor het fotograferen in darkrides.

Hierboven staan enkele snelle tips, maar wil mijn workflow in stappen hieronder nog wel meedelen:
1. Ik bepaal thuis wat ik ga fotograferen en kies welke objectieven ik mee neem. (darkrides, evenement, podium, attracties,…)
2. Ik controleer mijn “archief” naar foto’s die ik eerder gemaakt heb in dergelijke situaties om instellingen te bekijken en onthou of noteer deze
3. In de wachtrij zet ik mijn iso al redelijk hoog, en mijn diafragma-opening maak ik groter en sluitertijd aan de trage kant.
4. Stap de attractie in, en maak foto’s – bekijk deze al snel in de attractie zelf om te zien of je instellingen moet aanpassen
5. Na het verlaten van de attractie je iso meteen terug verlagen.
6. Bewerk de foto’s thuis en leer uit de gemaakte foto’s

Lees meer
FotoTips en trucs

Basis: Correcte belichting

DSC_1004

Fotograferen in de automatisch stand kan natuurlijk perfect. Wil je wat meer controle over het eindresultaat is het fotograferen met wat meer basiskennis handig meegenomen. Zo haal je je camera misschien een keer uit de automatische stand of schakel je over naar de andere mogelijke standen op je camera.

In fotografie zijn drie hoofdinstellingen die de uiteindelijke belichting van de foto bepalen. Diafragma, sluitertijd en iso hebben hier namelijk invloed op. Deze drie bepalen tezamen het eindresultaat.

Geen zorg over de vele begrippen, in de praktijk valt het allemaal best mee. Al die getallen en rare termen zijn misschien niet altijd even duidelijk, maar zijn in principe niet héél belangrijk om leuke foto’s te verkrijgen.

Correcte belichting:
Op een correcte belichting staan geen vaste waarden of eisen. De fotograaf bepaalt hoe de foto er gaat uit zien en het is daardoor een persoonlijke keuze. Algemeen wordt een goede belichting gezien als geen over/onderbelichting; zodat er geen details verloren gaan.

Dit bekom je door de drie instellingen:
Diafragma, sluitertijd en iso te gebruiken in een evenwicht. Samen zorgen deze voor de belichting in je foto. Als je bij een correcte belichting de ene instelling verhoogt, dan ben je genoodzaakt om een andere te verlagen om hetzelfde beeld te verkrijgen.

Uit de voorgaande artikels is het reeds duidelijk geworden dat sluitertijd of diafragma dikwijls afhangt van de situatie. Je bent dus beperkt in bepaalde situaties en bent niet helemaal vrij om technische een goede correcte foto te bekomen.

Voorbeeld:
Je fotografeert een achtbaan die met 70km/h langs scheurt.
Je hebt een goede foto met volgende instellingen:
Instelling 1 – Diafragma: f8 Sluitertijd: 1/15 Iso: 100

De sluitertijd is vermoedelijk veel te kort om de achtbaan scherp en duidelijk op de foto te krijgen. De sluitertijd moet dus in principe sneller naar laat ons zeggen een 1/1000.
Helaas zal door enkel de sluitertijd te veranderen het geen goede foto opleveren. We hebben de instellingen niet in evenwicht gehouden. Het is nodig het diafragma of iso te veranderen om dezelfde belichting te krijgen als met de eerste instelling.

Instelling 2 – Diafragma: f8 Sluitertijd: 1/1000 Iso: 6400
Nu hebben we een goede foto die er hetzelfde uitziet als met instelling 1. Echter kan door het hoge iso gebruik ruis in de foto ontstaan. We kunnen naast enkel de iso te veranderen ook het diafragma mee wijzigen.

Instelling 3 – Diafragma: f4 Sluitertijd: 1/1000 Iso: 1600
De gulden middenweg van alle instellingen.

Op bovenstaande afbeelding maakt de keuze van de eerder genoemde instellingen veel duidelijk. Elke stapje naar links of rechts is evenveel licht op je foto. Ga je bij sluitertijd twee stapjes naar links, moet je bij diafragma of iso twee stapjes naar rechts. Zoals in bovenstaand voorbeeld mag je ook diafragma en iso een stapje naar rechts zetten.


Enkele foto’s met telkens andere instellingen, maar waarbij de belichting hetzelfde blijft.

Lees meer
FotoTips en trucs

Basis: Iso

Droomvlucht

Fotograferen in de automatisch stand kan natuurlijk perfect. Wil je wat meer controle over het eindresultaat is het fotograferen met wat meer basiskennis handig meegenomen. Zo haal je je camera misschien een keer uit de automatische stand of schakel je over naar de andere mogelijke standen op je camera.

In fotografie zijn drie hoofdinstellingen die de uiteindelijke belichting van de foto bepalen. Diafragma, sluitertijd en iso hebben hier namelijk invloed op. Deze drie bepalen tezamen het eindresultaat.

Geen zorg over de vele begrippen, in de praktijk valt het allemaal best mee. Al die getallen en rare termen zijn misschien niet altijd even duidelijk, maar zijn in principe niet héél belangrijk om leuke foto’s te verkrijgen.

Iso:

Deze instelling bepaalt de gevoeligheid van de camerasensor. Indien er een hoeveelheid licht de camerasensor raakt, maar deze te weinig is kan men de sensor gevoeliger instellen. Door de iso te verhogen wordt je sensor gevoeliger voor licht. Verlaag je de iso dan zal de sensor minder gevoelig worden.


Dezelfde foto’s met gelijke instellingen waar enkel de iso trapsgewijs verhoogt is.

Gevoeliger is beter? Niet helemaal waar, de iso verhogen zorgt ook voor ruis in je foto. Hoe hoger je de iso neemt, hoe meer ruis er kan optreden in je foto. De techniek hierin verbetert steeds dus de nieuwere camera’s hebben hier minder last van dan de oudere modellen. Ook in de nabewerking kan je ruis reduceren. Heb dus geen schrik om toch hogere iso waarden te gebruiken; soms kan je niet anders. Daarnaast is de ruis niet altijd storend, en zeker niet wanneer je de foto verkleind voor bijvoorbeeld op websites.


In de donkere delen valt het verschil in ruis tussen deze twee foto’s goed op.

Lees meer
FotoTips en trucs

Basis: Diafragma

Fotograferen in de automatisch stand kan natuurlijk perfect. Wil je wat meer controle over het eindresultaat is het fotograferen met wat meer basiskennis handig meegenomen. Zo haal je je camera misschien een keer uit de automatische stand of schakel je over naar de andere mogelijke standen op je camera.

In fotografie zijn drie hoofdinstellingen die de uiteindelijke belichting van de foto bepalen. Diafragma, sluitertijd en iso hebben hier namelijk invloed op. Deze drie bepalen tezamen het eindresultaat.

Geen zorg over de vele begrippen, in de praktijk valt het allemaal best mee. Al die getallen en rare termen zijn misschien niet altijd even duidelijk, maar zijn in principe niet héél belangrijk om leuke foto’s te verkrijgen.

Diafragma:

Het diafragma zou je kunnen vergelijken met het menselijk oog. Loop je op een zonnige dag buiten, dan is je pupil van je oog klein. Loop je een donkere ruimte in, zal je pupil veel groter worden. Kortom als je fotografeert bij veel licht, kies je best een klein diafragma. In een donkere omgeving waar weinig licht is kies je best een groot diafragma.

Het diafragma wordt aangegeven door een F-Getal. Waar een groot diafragma een klein getal is en een klein diafragma een groot getal is.
f/1.4 = Groot diafragma (voor gebruik bij weinig licht)
f/22 = Klein diafragma (voor gebruik bij veel licht)

Het diafragma bepaald echter ook de scherptediepte in je foto. Dit wil zeggen hoeveel er scherp is in je foto.
Bij een groot diafragma (f/1.4) heb je weinig scherptediepte. Hiermee zorg je ervoor dat je punt waarop je focust scherp is, en de achtergrond wazig(er) is. Kies je een kleiner diafragma (f/8) zal je veel meer scherptediepte krijgen.

De foto met diafragma f/2.8 heeft weinig scherptediepte, de foto met de houten achtbaan veel scherptediepte. Indien je een foto maakt met weinig scherptediepte kan je de kijker naar een specifiek punt in de foto laten kijken. In het voorbeeld hierboven zijn dat in dit geval de rode schoentjes.

Lees meer
FotoTips en trucs

Basis: Sluitertijd

DSC_9500

Fotograferen in de automatisch stand kan natuurlijk perfect. Wil je wat meer controle over het eindresultaat is het fotograferen met wat meer basiskennis handig meegenomen. Zo haal je je camera misschien een keer uit de automatische stand of schakel je over naar de andere mogelijke standen op je camera.

In fotografie zijn drie hoofdinstellingen die de uiteindelijke belichting van de foto bepalen. Diafragma, sluitertijd en iso hebben hier namelijk invloed op. Deze drie bepalen tezamen het eindresultaat.

Geen zorg over de vele begrippen, in de praktijk valt het allemaal best mee. Al die getallen en rare termen zijn misschien niet altijd even duidelijk, maar zijn in principe niet héél belangrijk om leuke foto’s te verkrijgen.

Sluitertijd:

Sluitertijd is de tijd dat de camera de sluiter open heeft staan en je sensor belicht wordt. Dit is dus gelijk aan de tijdsduur waarin een foto genomen wordt. In een donkere omgeving zal de sensor meer (en dus langer) belicht moeten worden dan op een heldere plaats. Op de automatische stand zal de camera de sluitertijd zo kort mogelijk proberen te houden om beweging zo scherp mogelijk vast te leggen.

Zit er beweging in je foto dan noemen fotografen dit bewegingsonscherpte.
Bewegingsonscherpte kan ontstaan door twee factoren:
– Je onderwerp beweegt
– Je camera beweegt
Beide factoren tegelijk kan natuurlijk ook voorkomen.

Voor het voorkomen van bewegingsonscherpte van de camera heeft men volgende regel bedacht:
“Sluitertijd = minimum 1/(aantal mm objectief)” Neem je bijvoorbeeld een foto met een telelens van 200mm kan je best een sluitertijd nemen van minimum 1/200ste. Tegenwoordig hebben sommige objectieven/camera’s beeldstabilisatie waardoor je de sluitertijd toch nog iets trager kan instellen. Ook heeft de ene fotograaf een vastere hand dan de andere waardoor de ene fotograaf op 1/80ste toch een scherpe foto kan maken.

Indien het onderwerp beweegt hangt de sluitertijd natuurlijk af van de snelheid waarmee deze beweegt. Een formule 1 wagen is vanzelfsprekend veel sneller dan een wielrenner.

De snelheid van het onderwerp is duidelijk te zien op de linkse foto. Om een scherpte foto te krijgen met een sluitertijd van 1/15 sec is niet mogelijk. Bij het kiezen van een sluitertijd van 1/800 gaat het immers een stuk beter.

Ook water heeft natuurlijk een bepaalde snelheid. Bij een langere sluitertijd is te zien dat het water er waziger uitstroomt. Bij een snellere sluitertijd is bijna elk drupje water te zien.

Je kan ook creatief aan de slag. Bewust bewegingsonscherpte in je foto brengen door een trage sluitertijd te nemen. Als je tijdens het fotograferen met een trage sluitertijd een bewegend onderwerp volgt en fotografeert zal het onderwerp scherp op de foto staan, de achtergrond zal bewegingsonscherpte vertonen.

Als je hiermee aan de slag wil en de sluitertijd wil bepalen heeft de camera een S of Tv stand (Sluiterpiroriteit). Op deze stand zal de camera zelf het bijbehorende diafragma kiezen om een goed belichte foto te verkrijgen. Wil je een extreem lange sluitertijd kan het zijn dat de camera geen diafragma meer kan bepalen omdat er te veel licht is. Hiervoor zijn grijsfilters op de markt die je voor je objectief kan draaien. Deze zorgen ervoor dat er minder licht op de sensor komt.

Door bewust een lange sluitertijd te gebruiken kan men creatieve effecten creëren.

Lees meer